De nacht lag als een donkere deken over de stad. De lantaarns wierpen een zwak schijnsel over het verlaten park, hun licht weerspiegelend op de natte stenen. Op een versleten houten bank zat een jonge man, zijn houding ontspannen, zijn blik leeg. Hij had geen haast, geen woorden, geen reden om zich ergens druk over te maken.
Maar voor hem stond een jonge vrouw, haar telefoon in haar hand geklemd, de camera vol op hem gericht. Haar houding was brutaal, haar blik uitdagend. Dit was haar moment, en zij was hier om een reactie uit hem te trekken.
Ze stond gevaarlijk dichtbij. Té dichtbij. Haar stem sneed door de stille nacht, luid, spottend. Haar woorden waren scherp, vol minachting. Haar handgebaren groot en overdreven. Ze wilde hem uit de tent lokken, hem dwingen tot een reactie.
Hij reageerde niet. Hij bleef stil, onbewogen. Zijn ogen gleden niet eens naar haar telefoon. Het leek alsof hij haar hele aanwezigheid negeerde.